Castlemilk Moorits in Belgie

In 2002 kwamen de eerste 3 Castlemilk Moorit-schapen naar België (Bart Courtens: Lava, Phante en een rammetje Van Erp). Ze hadden één ooilam en één ramlam. De twee rammen werden eind 2003 geslacht. Ook een man uit Poperinge importeerde een ram van Van Erp voor bij zijn blonde Soay-schapen (maar dat wist hij niet). Deze stierf lammerloos.

Begin 2004 kochten Jef en Katlyn van schapenboerderij De Overvloed (toen nog De Kleine Heide genoemd) de drie enige Castlemilk Moorit-ooien die op dat moment in ons land waren (de twee oude ooien + lam van Courtens). De ooien waren drachtig en wierpen twee ooitjes en een rammetje.Uit Nederland werden later dat jaar nog enkele onverwante dieren geïmporteerd, zodat de populatie eind 2004 was aangegroeid tot 3 rammen en 9 ooien, verspreid over twee liefhebbers. Louwagie uit Poperinge had dat jaar ook twee ooilammeren bij Van Erp gekocht en het ramlam van De Kleine Heide.

2005: Jef en Katlyn verdeelden de 7 ooien over twee rammen van andere bloedlijnen (Mauro uit nieuwe lijn Van Erp en Ezechiel van  Suys). Maar liefst 5 van de 6 lammetjes waren rammen. Hierdoor moesten opnieuw drie ooitjes aangekocht worden bij Schapenpark De Goede Hope in Hoofdplaat (Nederland) om aan de vraag naar fokduo's te voldoen. Een ooitje bleef bij De Kleine Heide, een ander ging naar Leo Roels en eentje naar Jan Van Holsbeke.

2006-2008: Er werd een uitgekiend fokplan opgezet, rekeninghoudend met de smalle genetische basis van het ras, en meer imports volgden: een heel onverwant fleslam door Karl Van Laer (nu op De Overvloed) en Pracht, een drachtige ooi van heel andere bloedlijn.

Intussen groeide de populatie verder aan en zitten er dieren verspreid van de Westhoek over de Kempen en Vlaams-Brabant tot Limburg. Anno 2014 zijn er 12 liefhebbers in Vlaanderen met in totaal een 78 volwassen stamboekooien en 21 fokrammen.

JaarKwekersFokrammenFokooienRamlammerenOoilammerenTotaal
2002     2 1   3
2003   1 2 1 1 5
2004     3 3 6 12
2005   3 9 5 4 21
2006   6 13 7 9 35
2007   10 21     31
2008 8 10 27     37
2009   10 35     45
2010            
2011            
2012 15 18 60     78
2013 12 23 61     83
2014 12 21 78     99

 

Verzorging

De Castlemilk Moorit is geen moeilijk schaap om te houden. Door hun primitieve voorouders (Shetland-, Moeflon- en Manx Loghtanschapen) zijn ze gehard en vragen ze minder verzorging dan de meeste hedendaagse nutsrassen.

Huisvesting
Mits enige beschutting kunnen de Castlemilks de hele winter buiten blijven. Een echte stal mag, maar hoeft niet. Ook een goed afdak of wat bomen die beschermen tegen neerslag kunnen volstaan. Het belangrijkste is dat ze een plek hebben waar ze droog kunnen staan.

Afrastering
Ideaal is een vaste (ursus)draad van ongeveer 1 meter hoogte. Een stroomdraadje op 30 à 40 cm boven de grond voorkomt dat de ram palen en hekwerk vernielt. Ook jonge bomen kunnen best op deze manier afgeschermd worden. Eventueel kan bovenaan nog een extra stroomdraad worden aangebracht tegen loslopende honden.

Weiland
Castlemilk Moorits geef je best geen al te vette weide. Van teveel mals gras krijgen ze wel eens diarree. Maaien of omweiden in beperkte percelen kan helpen om hen hiervan te behoeden. Op een weide van 1 hectare kan je een 20-tal ooien (met lammeren in de zomer) plaatsen.

Voeding
Gras en een bak fris water zijn meestal voldoende. 's Winters kan bijvoederen met hooi en een beetje korrels nodig zijn als het weiland te schraal wordt. Daarnaast kunnen schapenkorrels in beperkte mate gegeven worden om ze tam te houden of bij hoogdrachtige of zogende ooien. Een speciale liksteen voor schapen voorziet in de nodige mineralen.

Gezondheid
Castlemilk Moorits hebben in het algemeen weinig gezondheidsproblemen, maar het is wel verstandig om een dierenarts in de buurt te zoeken die vertrouwd is met schapen. Enkele keren per jaar ontwormen, zeker voor het dekseizoen en na het aflammeren, is aangewezen. Het ras is tamelijk gehard tegen vliegen (myasis) en rotkreupel, maar besmetting is niet uitgesloten. In verband met scrapie is het goed om te weten dat momenteel alle dieren in Nederland en België de genotypering ARQ/ARQ hebben, net als +- 97 procent van de Britse populatie.

Scheren en hoeven
Scheren gebeurt één keer per jaar aan het begin van de zomer (mei-juli). Hoewel soms gezegd wordt dat de Castlemilk zelf zijn vacht verliest, leert de ervaring dat het toch beter is om ze te laten scheren. Een enkel dier laat soms zijn vacht in plukken los, maar ook dit gebeurt vaak niet snel genoeg om tegen de winter opnieuw een pelsje te hebben. Bij het scheren worden ook de hoeven onderzocht en indien nodig bijgeknipt.

Dekseizoen, dracht en aflammeren
In het najaar worden de ooien bronstig, met als hoogtepunt oktober-december. Indien ze niet door de ram worden gedekt, worden ze na 16 à 18 dagen opnieuw vruchtbaar. De dracht duurt ongeveer 145 dagen, dit is 21 weken min 2 dagen. Het aflammeren gaat meestal zonder problemen en kan ook vrij in de wei gebeuren. Let er op dat het lam snel biest drinkt eens het op zijn poten gaat staan en ontsmet de navelstreng (met bijvoorbeeld Isobetadine). Jonge ooien hebben meestal 1 lam, oudere kunnen ook een tweeling en héél soms een drieling hebben. Na minimum drie maanden kunnen de lammeren worden gespeend. Vanaf vier maanden kunnen de jonge rammetjes al dekrijp worden, dus haal ze in elk geval voor het bronstseizoen bij de ooien weg. De ram kan het hele jaar bij de kudde blijven.